Home » Biologie » Werkstukken » Dieren » Katten » Katten (3)


INHOUD

1. inleiding
2. Wat is een kat?
3. Grote katten
4. Lichamen van katten
5. In beweging
6. Zintuigen
7. Zien en horen
8. Tast, smaak en reuk
9. beharing en camouflage
10. jagen
11. dodelijke beten
12. kattenpraat
13. paren
14. geboorte
15. opgroeien
16. gewoonten van katten
17. vijanden
18. tijgers
19. leeuwen
20. panters
21. Aziatisch panter
22. jachtluipaarden
23. Amerikaanse grote katten
24. kleine wilde katten
25. feiten

1. inleiding

Ik heb mijn werkstuk over grote katten geschreven omdat ik daar lekker veel informatie over had. Ik wilde eigenlijk ook wel iets meer over (grote) katten weten. Als je een werkstuk maak kom je ook iets meer over het onderwerp te weten. Dus ik koos als onderwerp voor mijn werkstuk “grote katten”.
Ik heb heel veel informatie over dit onderwerp gevonden. De meeste heb ik weggelaten. Ik heb al mijn informatie over deze onderwerp uit twee boeken gehaald dus ik kan wel is wat herhaald hebben. er kan ook natuurlijk fouten in zitten. Alle plaatjes die ik niet geplakt heb, heb ik van internet. Ik heb eerst uitgelegd wat grote katten zijn. Daarna heb ik een paar soorten als voorbeeld genomen en daarover geschreven. 

Veel lees plezier! 

2. Wat is een kat?

Katten zijn inheems op alle continenten behalve Australië en Antarctica. Alle katten zijn zoogdieren met een mooie vacht die vaak prachtig getekend is. Het zijn behendige jagers en doders met een sterk, lenig lichaam, gevoelige zintuigen en vlijmscherpe tanden en nagels. Katten zijn intelligente, geheimzinnige dieren die vaak alleen leven. Hoewel ze variëren in grootte van tamme (huis)kat tot de enorme Siberische tijger, behoren ze alle tot dezelfde familie, de Felidae. Dit betekent dat wilde en tamme katten in uiterlijk en gedrag op elkaar lijken. Er zijn 38 verschillende soorten katten. Katten zijn zeer gespecialiseerde vleeseters. Het zijn perfecte carnivoren, met een uitstekend gehoor en zich. Hun gekromde, vlijmscherpe nagels, waarmee ze prooien vangen en vasthouden, zijn intrekbaar. Dit betekent dat ze de nagels tijdens het rennen in de poten kunnen terugtrekken.katten kunnen zich stil bewegen doordat de poten om de zoolballen heel behaard zijn. 
Lange staart: de lange staart houdt een kat tijdens het rennen in evenwicht. Katten drukken met hun staart ook hun stemming uit. 
Grote muil: een grote kat heeft scherpe tanden en sterke kaken waarmee hij dodelijk kan bijten. Katten doden prooi met hun lange, gekromde hoektanden. 
In het donker zien: overdag versmalt de pupil van kattenoog tot een spleet of een kleine cirkel om het felle licht te weren. ’s Nachts zijn ze open om zoveel mogelijk licht binnen te laten. Hierdoor kan een kat zowel ’s nachts als overdag zien. Kattenoren: de oren van katten staan hoog op hun kop. Zo kunnen deze felle jagers geluiden uitstekend opvangen. De oren hebben een afgeronde vorm, waardoor ze geluiden uit vele richtingen kunnen opvangen. Katten kunnen hun oren ook draaien in de richting van de geluidsbron.

3. Grote katten

Wetenschappers ordenen de leden van de kattenfamilie in verwante groepen. De twee hoofdgroepen zijn kleine katten (tamme katten en vele wilde katten) en grote katten (tijger, leeuw, luipaard, sneeuwpanter en jaguar). De nevelpanter en cheetah zijn elk in een aparte groep ingedeeld, maar worden wel vaak als grote katten beschouwd. Grote katten onderscheiden zich niet alleen in grootte van kleine katten. Grote katten kunnen brullen en kleine niet. Kleine katten spinnen. Ze hebben een speciaal bot, het tongbeen, achteraan hun tong waardoor ze tegelijk kunnen ademen en spinnen. Grote katten hebben in plaats daarvan elastisch kraakbeen en kunnen alleen spinnen wanneer ze uitademen. De poema is eigenlijk een erg grote kleine kat. Hij wordt hier besproken vanwege zijn grootte. 

Wat is een grote kat?
Niet iedereen is het er over eens wat een grote kat is, omdat het geen duidelijke wetenschappelijke term is. Er zijn 38 soorten katten, maar slechts een paar daarvan noemen we grote kat. 
Kenmerken van katten:alle katten behoren tot de groep dieren die we zoogdieren noemen. Net als de meeste zoogdieren hebben ze haren op hun lijf en krijgen ze levende jongen. Katten zijn ook carnivoren, wat betekent dat ze vlees of vis eten. Ze hebben scherpe klauwen en tanden, waarmee ze de dieren waarop ze jagen om te eten (hun prooi) vangen en doden. 
Een grote kat of niet?: wetenschappers spreken slechts zelden van ‘grote katten’ zonder erbij te vermelden welke katten ze bedoelen. Onder ‘ grote kat ’ verstaan ze vaak leeuwen, tijgers, jaguars, panters, sneeuwpanters en nevelpanters, die allemaal tot de ‘ panter ’-groep behoren. Maar velen zien ook andere katten als grote katten, zoals jachtluipaarden en poema’s. 
Verschillen tussen katten: grote en kleine katten hebben veel gemeen, maar toch zijn er interessante verschillen. De meeste grote katten kunnen brullen, terwijl kleine katten dat niet kunnen. De meeste grote katten eten vaak liggend en kleine katten eten meestal terwijl ze op hun poten zitten. 

Zijn grote katten gevaarlijk?: hoewel sommige grote katten gemakkelijk een mens kunnen doden, doen ze dat zelden. Er zijn wel enkele katten die een smaak ontwikkelen voor vlees van een mens en regelmatig op mensen jagen. Leeuwen, panters en tijgers zijn voor de mens het gevaarlijkst. 
Over de gehele wereld: katten leven in allerlei leefgebieden of habitats, zoals tropisch regenwoud, grasland en hooggelegen berggebied, maar in Australië en Antarctica komen geen katten voor. De meeste katten hebben een eigen gebied of territorium waar ze jagen en hun jongen krijgen. 

4. Lichamen van katten

Een kat dankt zijn vorm aan een skelet van 230 botten (een mens heeft er zo’n 206). Zijn korte ronde schedel zit vast aan de ruggengraat, die het lichaam ondersteunt. Wervels (botten van de ruggengraat) beschermen het ruggenmerg, de belangrijkste zenuwbaan van het lichaam. De ribben zijn verbonden met de ruggengraat en vormen de ribbenkast, die hart en longen beschermt. De tanden van een kat zijn geschikt om vlees te scheuren en te kauwen. Wilde katten moeten voorkomen dat ze hun tanden beschadigen, want met kapotte tanden zullen ze snel verhongeren. Behalve in grootte en gewicht zijn kleine huiskatten lichamelijk verder weinig anders dan de grote machtige tijgers. Hier kun je lezen wat ze gemeenschappelijk hebben.
Geboren om te jagen: alle katten hebben een soepel, atletisch lichaam dat perfect gebouwd is om te jagen. Katten moeten snel zijn om een dier te vangen en sterk om erop te springen en het te doden. Met hun krachtige achterpoten zetten ze zich af als ze rennen of springen en met hun voorpoten kunnen ze hun prooi grijpen en vasthouden.
Hondachtige kat: jachtluipaarden hebben een slanker lijf dan andere katten. Ze lijken in feite meer op een hazewindhond, een heel snelle hond, dan een kat. Ze zijn niet zo sterk als de andere grote katten, maar ze zijn wel de allersnelste landzoogdieren.

klauwen in close-up: katten hebben 5 nagels aan hun voorpoten en 4 aan hun achterpoten. De 5de nagel aan de voorpoot, de ‘duim’ zit hoog aan de poot en als de kat loopt raakt deze de grond niet. Met hun duim kunnen katten hun prooi goed vastpakken. Alle grote katten, behalve de jachtluipaarden, kunnen hun nagels tijdens het lopen intrekken in een plooi in hun tenen, zodat ze niet slijten. Aan de onderkant van de poten zitten huidkussens, waardoor katten tijdens het jagen heel zachtjes kunnen lopen. 

- Met de stijve snorharen op zijn gezicht kan een kat voelen.
- Het gebied rond de neus en bek van een kat wordt de snuit genoemd.
- Katten hebben een losse huid onder hun vacht. Zo is het moeilijker hen diep te bijten bij een gevecht.
- De lichamen van katten zijn bedekt met en vacht. Sommige katten hebben patronen van vlekken of strepen op hun vacht.
- De meeste katten hebben een lange staart, die ze gebruiken om hun evenwicht te bewaren.

5. In beweging

Grote katten bewegen zich snel en sierlijk. Met hun sterke poten kunnen ze lange stappen nemen en met hun gespierde lichaam kunnen ze ver springen of in bomen klimmen.
Gemaakt voor snelheid: jachtluipaarden zijn uitstekende sprinters die wel 115 km per uur halen. Ze hebben een soepele wervelkolom die ze uitstrekken om een grote afstand te overbruggen en daarna buigen om zich af te zetten voor de volgende sprong. Jachtluipaarden hebben een lange staart die stabiliteit geeft. Zo behouden ze hun evenwicht als ze met grote snelheid van richting veranderen. Ze moeten dit vaak doen als ze achter hun prooi aan jagen. Een jachtluipaard kan bijna 3 stappen per seconde maken.

Een goede grip: met hun lange klauwen hebben jachtluipaarden een goede grip op de grond. Hun nagels werken als noppen van voetbalschoenen. Sommige hebben diep gegroefde kussens op hun poten voor een nog betere grip, zodat ze niet uitglijden als ze van richting veranderen. 
Verspringen: Poema’s en sneeuwpanters hebben een gedrongen bouw en gespierde achterpoten die relatief langer zijn dan die van andere katten. Ze kunnen ver springen, wat handig is bij het van rots naar rots springen in berggebieden. Hierdoor zijn ze ook heel goede jagers, omdat ze op hun niets vermoedende prooi kunnen springen. 

Een poema duikt ineen, Hij zet zich met zijn achterpoten klaar om te springen. af en strekt zijn lichaam uit.

Omhoog klimmen: panters hebben grote, sterke lichamen die ideaal zijn om in bomen te klimmen. Ze houden zich met hun korte, sterke voorpoten aan de stam vast en duwen zich omhoog met hun krachtige achterpoten. Bij het klimmen slaan ze hun klauwen in de boom voor extra grip.

6. Zintuigen

Alle katten hebben goed ontwikkelde zintuigen, zodat ze heel alert zijn. Hun gezichts- en gehoorvermogens zijn uitstekend. Hierdoor kunnen ze goed jagen. Katten hebben ook goede reuk en tastzintuigen.
Goede oren: oren van katten zijn heel gevoelig voor trillingen. Een kat kan veel beter horen dan een mens. De wijde, trechtervormige oorschelpen kaatsen het geluid goed naar de oren.
Gezichtsvermogen: katten zien goed omdat hun pupil sterk kan veranderen om meer of minder licht binnen te laten. In fel zonlicht wordt de pupil een kleine stip om de ogen te beschermen. In schemerlicht staat de pupil wijd open om zoveel mogelijk licht door te laten. 
Nachtogen: aan de achterkant van hun ogen hebben katten een weerkaatsende laag, of tapetum lucidum, zodat ze ’s nachts beter zien. Door het terugkaatsen ziet de kat tweemaal zoveel licht. 

Gevoelige snorharen: de lange snorharen ven een kat zijn zeer gevoelig. Als er iets tegen de snorharen aan komt, of zelfs maar in de buurt komt, dan voelt de kat dat direct. Hij gebruikt zijn snorharen om in het donker zijn weg te vinden of om iets te onderzoeken.

Geurdetectors: katten kunnen ruiken met hun neus, maar ze onderscheiden geuren ook met een gevoelig gebied, het orgaan van Jacobson, boven in de bek. Om geuren bij het orgaan te laten komen opent de kat zijn bek en wiebelt hij met zijn neus. Waarschijnlijk moeten katten dichtbij een geurbron zijn om op deze manier te ruiken. 

7. Zien en horen

Om goed te kunnen jagen en niet door een vijand gezien of gehoord te worden, maken katten gebruik van hun gezicht, gehoor en tast. Katten zien uitstekend. Hun ogen zijn geschikt om ’s nachts en ook overdag te zien. Kattenogen zijn groot ten opzichte van de grootte van hun kop. Doordat hun ogen naast elkaar staan, kunnen ze goed inschatten hoe ver iets is. ‘s Nachts zien katten alles zwart-wit. Overdag zien ze wel kleuren, maar niet zo goed als mensen. Katten hebben een erg goed gehoor, veel beter dan dat van een mens. Ze kunnen kleine dieren door het gras of zelfs in hun ondergrondse hol horen kruipen.
Verblinde licht: kattenogen zijn erg gevoelig voor licht. In fel licht overdag verkleinen de pupillen tot ze net voldoende licht doorlaten om goed te kunnen ze zien. De puppillen van een huiskat vernauwen tot spleten, terwijl de puppillen van de meeste grote katten kleine cirkels worden.
Gloeiende ogen: achter het netvlies in de ogen van katten zit een reflecterende laag die we tapetum lucidum noemen. Hierdoor wordt in het donker meer licht geabsorbeerd. Als er s’ nachts licht in de ogen schijnt, gloeien deze reflectors.
Ronde puppillen: de ronde puppillen van katten vernauwen zich in het daglicht. In de schemering gaan de puppillen wijd open.
In het oog: de lens zorgt ervoor dat lichtstralen een scherp beeld op het netvlies vormen. Prikkels vanuit het netvlies komen via de oogzenuw in de hersenen terecht. Katten hebben een vlies dat ze over het oogoppervlak kunnen trekken om vuil en stof buiten te houden.

8. Tast, smaak en reuk

Katten voelen met zenuwen in hun huid, maar daarnaast hebben ze een ander belangrijk tastorgaan, de snorharen. Deze stijve haren hebben gevoelige zenuwuiteinden aan hun wortels.sommige tastharen zorgen voor bescherming. Als de haren boven de ogen door iets geraakt worden, zal de kat met zijn ogen knipperen. Katten gebruiken geuren en smaak om met elkaar te communiceren. Hun tong is een nuttige hulpmiddel en hun neus is erg gevoelig. Dunne, gekrulde botten in de neus brengen geuren over op de geurreceptoren. Katten hebben plekken op hun gehemelte waarmee ze geuren kunnen onderscheiden, vooral die van andere katten.
Handige tong: een kat krult de tongpunt om water mee op te lepelen. Na een paar keer likken slikt hij het water in een keer door. Katten gebruiken hun tong ook om te proeven, om vlees van een karkas af te schrapen en om zich schoon te likken.
Ruwe tong: de felroze tong van een tijger heeft een erg ruw oppervlak. Kattentongen zijn bedekt met puntjes die we papillen noemen. Met deze papillen, die naar achteren zijn gericht, en de tanden schraapt de kat vlees van botten. Langs de randen en achter op de tong zitten smaakknoppen. Katten kunnen geen zoets proeven, maar wel puur water herkennen.
Snorharen: het gezicht van katten zijn omgeven door gevoelige snorharen. Katten gebruiken hun snorharen om te bepalen hoe ver iets verwijderd is. de belangrijkste snorharen zitten aan de zijkanten. Hiermee kan een kat zijn weg vinden in het donker of in het hoge gras.
Vachtverzorging: de lange, ruwe tong van een leeuw is een prima kam. Hij verwijdert losse haren en kamt de vacht plat. Katten vegen hun gezicht, vacht en poten schoon. Ze moeten zich goed schoonhouden en besteden veel tijd aan het verzorgen van hun vacht. Haren die ze daarbij inslikken, worden als haarballen uitgebraakt.

9. beharing en camouflage

De vacht van een kat beschermt zijn huid en houdt hem warm. De kleuren en patronen van de vacht zorgen voor camouflage tijdens de jacht. De vacht van wilde katten bestaat uit twee lagen: een onderlaag van korte, zachte wolharen en een buitenlaag van lange, stijve dekharen. Samen beschermen deze de kat tegen extreme hitte of kou. Sommige dekharen zijn gevoelig en helpen de kat zijn weg te vinden. Katten hebben een losse huid waardoor een aanvaller moeilijk grip op hen kan krijgen en verwonding voorkomen wordt. De kleuren en patronen van de vacht hangen af van de omgeving waarin de kat leeft.
Verscholen katten: jaguars en panters hebben een patroon van rozetten, zodat ze moeilijk zijn te zien tussen de bomen. Tijgers hebben strepen, zodat ze zich kunnen verschuilen in hoog gras. Leeuwen hebben een egale, geelachtige vacht die camouflage biedt in het droge Afrikaanse grasland.
Warm blijven: katten die in koude streken leven, zoals sneeuwpanters en Siberische tijgers, hebben een dikke vacht om warm te blijven. Sneeuwpanters hebben ook een lange, harige staart, die wel 90 cm lang kan zijn. Als ze rusten, krullen ze de staart rond hun lichaam als extra bescherming tegen de kou.
Harige poten: de vacht is niet alleen een bescherming tegen de kou. Sneeuwpanters hebben ook een dikke vacht tussen de kussens op hun poten. Deze vacht beschermt niet alleen als het sneeuwt, maar ook als ze in de zomer over hete, scherpe stenen lopen.
Zwarte katten: de meeste panters en jaguars hebben een vacht met een zwart -geel patroon, maar sommige worden geboren met een zwarte vacht. Hun vacht heeft ook een patroon, maar omdat dit zwart is, is dat moeilijk te zien. Zwarte panters en jaguars brengen de meeste tijd door in donkere bossen. Hun zwarte vacht vormt daar een goede camouflage.

10. jagen

Alle katten zijn carnivoren ofwel vleeseters. Hun lichaam is niet geschikt om planten te verteren. Grote katten moeten hun voedsel achtervolgen en doden. Maar de meeste grote katten eten het liefst andermans maaltijd en als ze de kans krijgen stelen ze de buit van andere dieren. Cheetahs eten echter alleen dieren die ze zelf gedood hebben. om hun voedsel te vangen en te doden moeten grote katten jagen. Sommige, zoals cheetahs, lopen door hun territorium op zoek naar prooi. Andere, zoals jaguars, verbergen zich en vallen hun prooi vanuit een hinderlaag aan. Veel katten, zoals luipaarden, doen beide. Grote katten zijn goede jagers. Dankzij een combinatie van sluwheid, geduld en kracht kunnen ze gazellen, antilopen, gnoes en andere prooidieren opsporen en vangen.
Onopgemerkt sluipen: op plekken met veel bomen of hoog gras kunnen grote katten hun prooi naderen zonder gezien te worden. Als een grote kat een dier ziet dat hij wil vangen, gaat hij er langzaam op af, terwijl hij zo laag kruipt dat zijn lijf bijna tegen de grond komt. Hij nadert zijn prooi zo dicht mogelijk, rent dan uit zijn schuilplaats en springt op het dier voordat het kan ontsnappen.
Samenwerken: leeuwen jagen soms in groepen, zodat ze meer kans hebben een prooi te vangen. Vaak verspreiden ze zich rond een groep dieren en rennen er van verschillende kanten opaf. Zo worden de dieren naar de andere leeuwen gejaagd. 
In hinderlaag: soms verstopt een grote kat zich gewoon ergens en blijft wachten tot zijn prooi langskomt in plaats van het op te sporen. Een tijger verbergt zich vaak bij een waterbron. Als er een dier komt drinken, springt hij naar voren en neemt hij het te pakken. Een grote kat valt meestal aan van achteren of van opzij. Als een prooi te groot is om zo te grijpen, brengt de kat hem uit zijn evenwicht, houdt hem vast en bijt in zijn nek.
De grote jacht: jachtluipaarden kunnen zo snel sprinten dat ze vaak achter hun prooi aan jagen over het open veld. Ze doen weinig moeite zich te verbergen als ze langzaam hun prooi naderen, maar soms blijven ze doodstil staan als het dier naar hen kijkt. Jachtluipaarden beginnen pas met rennen als ze vrij dicht in de buurt zijn.
Als een grote kat een tijdje niets heeft gevangen, zal hij kleine dieren zoals een schildpad gaan eten. Leeuwen jagen meestal op grote dieren als antilopen, gnoes, wrattenzwijnen, giraffen, buffels, penseelzwijnen en bavianen. De leeuwen jagen in groepsverband op grote dieren.




11. dodelijke beten

Grote katten zijn snelle en efficiënte jagers. Ze kunnen op een prooi springen en het binnen een minuut doden. Ze zijn ook zo sterk dat ze een prooi aanvallen die groter is dan zijzelf. 
Een prooi vangen: grote katten vallen grote prooien meestal van opzij of van achteren aan om niet gewond te raken door hoeven of hoorns. Met hun sterke voorpoten en klauwen trekken ze het dier omlaag. 

Dodelijke nekbeet: grote katten doden hun prooi meestal met een enkele beet. De gebruikte techniek is afhankelijk van de grootte van de prooi. Kleine dieren worden gedood met een beet achter in de nek. De kat glijdt met zijn tanden tussen de nekbotten en snijdt het ruggenmerg door dat naar de hersenen leidt. Het prooidier is meteen dood.
Naar de keel: grote dieren zijn te groot en te zwaar om vast te houden voor de nekbeet. De grote kat bijt dan in de keel van het dier en houdt hem stevig vast. Zo kan er geen lucht meer naar de longen. Het dier krijgt geen adem en is al snel dood.
Grote tanden: grote katten hebben meestal dertig tanden. De vier lange, scherpe tanden noemen we hoektanden. Deze worden gebruikt om de prooi te bijten en te doden. De twaalf kleinere voortanden noemen we snijtanden. Deze worden gebruikt om de vacht of veren af te stropen en om vlees van de botten los te trekken. Aan de zijkanten van de kaak zitten grote, brede tanden, de voorkiezen en kiezen. Mensen hebben kiezen die hier wel wat op lijken, maar onze kiezen zijn rond om te kauwen en die van katten hebben scherpe randen om door vlees te snijden.

12. kattenpraat

Alle grote katten communiceren met elkaar. Ze laten elkaar weten hoe oud ze zijn, of ze man of vrouw zijn, hoe ze zich voelen en waar ze leven. Katten communiceren met signalen zoals geuren, krabsporen en geluiden. De geuren komen van urine en geurklieren. Katten hebben geurklieren op hun kop en kin, tussen hun tenen en bij de aanhechting van hun staart. Elke keer als ze ergens tegenaan schuren, brengen ze hun eigen geur over. Katten maken veel verschillende geluiden. Wetenschappers weten dat katten met elkaar praten, maar begrijpen nog niet veel van hun taal. Katten communiceren ook met lichaamstaal. Aan hun oren kan je zien hoe ze zich voelen en ze bewegen hun staart om te laten zien of ze opgewonden of geërgerd zijn.
Hoe katten brullen: een brul is een laag, trillend geluid dat sommige grote katten maken. Leeuwen, panters en jaguars kunnen brullen, maar leeuwen zijn de enige die vaak brullen. Men weet niet zeker hoe katten brullen, maar waarschijnlijk ontstaat het geluid als er bij een krachtige uitademing lucht langs het strottenhoofd van de kat stroomt. De lucht brengt vlezige plooien in het strottenhoofd aan het trillen.
Wanneer brullen katten: grote katten brullen vaak om andere katten uit hun territorium te houden. Ze brullen ook vaker bij zonsopkomst en –ondergang. Soms brullen ze na het eten.
Stille tijgers?: tijgers maken allerlei geluiden, maar ze kunnen niet brullen als leeuwen. Sommige geluiden die ze maken zijn zo laag dat mensen ze niet kunnen horen. De lage geluiden zijn door andere tijgers op grote afstand te horen, zodat tijgers contact kunnen hebben in grote dichte bossen.
Lichaamstaal: katten gebruiken lichaamstaal om te laten zien hoe ze zich voelen. Vriendelijke katten wrijven bijvoorbeeld hun koppen tegen elkaar. Kwade katten slaan daarentegen met hun staart heen en weer, krommen hun rug om groter te lijken en draaien hun oren naar voren. Ze maken ook luide, sissende geluiden.
Snorren: katten kunnen een zacht, trillend geluid maken dat we snorren noemen. We weten niet hoe ze dat doen. Kleine katten kunnen continu snorren, grote katten kunnen het alleen als ze uitademen. Katten snorren vaak als ze tevreden zijn. Snorren klinkt niet luidt en hiermee kunnen moeders en kinderen contact hebben zonder de aandacht van anderen te trekken.
Geurmerken: katten bakenen hun territorium af met urine. Vaak sproeien ze die tegen bomen en stenen als ze ergens rondlopen. De urine heeft een sterke geur die andere katten snel ruiken. Zo weten die dat ze op het territorium van een andere kat zijn gekomen.

13. paren

om jongens te krijgen moeten mannetjes en vrouwtjes met elkaar paren. Vrouwtjes geven een duidelijk signaal als ze bereid zijn om te paren.
De geurtest: mannetjes gebruiken hun reukorgaan om te weten te komen of vrouwtjes willen paren. Als een vrouwtje geïnteresseerd is, bevat de urine chemische stoffen die een mannetje laten weten dat zij zover is. 

Op je beurt wachten: vrouwtjes bepalen wanneer de paring plaatsvindt. Mannetjes moeten wachten en op afstand blijven tot de vrouwtjes hen dichterbij laten. Mannetjes roepen vaak om hen over te halen. Als een vrouwtjes zo ver is, toont ze dit door speels over de grond te rollen.
Paren bij grote katten: voor een jong moet een vrouwelijk geslachtcel (eitje) worden bevrucht door een mannelijk geslachtcel (zaadcel). Bij de paring kruipt het mannetje tegen de achterkant van het vrouwtje om het zaad naar binnen te persen.
Kort samenzijn: grote katten paren heel snel. Bij leeuwen duurt het slechts 20 seconden, maar ze kunnen wel vele keren per dag paren. Kleinere katten paren niet zo vaak, misschien omdat ze tijdens de paring kwetsbaarder zijn voor een aanval.
Veilige plek: als de jongen bijna worden geboren, zoekt het vrouwtje een goed verborgen plek, of leger, waar ze in alle veiligheid haar jongen kan krijgen. Dit kan in een grot of in de bosjes zijn. Het is belangrijk dat het leger uit het zicht is van andere roofdieren. 

14. geboorte

de jongen van grote katten worden meestal blind en met een gevlekte vacht geboren. Ze zijn volkomen hulpeloos. Hun moeder zorgt alleen voor ze, zonder hulp van hun vader. De bevalling vindt plaats in een hol of op een andere veilige plek. De eerste paar dagen na de geboorte blijft de moeder in de buurt van haar jongen zodat ze haar melk kunnen drinken. Ze houdt de jongen warm en maakt ze schoon door te likken. De jongen groeien snel. Ze kunnen al kruipen voor hun ogen opengaan en ze leren snel blazen om zich te verdedigen. 
Wit jong: sneeuwpanterjongen hebben een witte vacht met donkere vlekken. Ze worden altijd in de lente geboren en hun ogen gaan een week na de geboorte open. Na drie maanden beginnen de jongen hun moeder te volgen. Tegen de winter zijn ze bijna volwassen.
Moederliefde: tijgerjongen kunnen al doden als ze 11 maanden oud zijn. Maar ze blijven bij de moeder tot ze twee of zelfs drie jaar zijn. In het wild doet de moeder haar uiterste best om haar jongen te beschermen, maar meestal sterft minstens de helft. Roofdieren kunnen de jongen doden of ze verhongeren omdat hun moeder niet genoeg voedsel kan vangen. 
Zuigelingenzorg: vrouwtjespoema’s werpen maximaal zes jongen tegelijk. De moeder heeft meerdere paren tepels om de jongen te zogen. Elk jong heeft zijn eigen tepel en zal geen andere gebruiken. Minstens drie maanden drinken de jongen melk en vanaf zo’n zes weken eten ze ook vlees.
Op wacht: leeuwinnen bewaken hun hol. Leeuwen zijn sociale dieren die de verantwoordelijkheid voor de wacht delen. Het hol wordt goed schoongehouden zodat er geen geuren zijn die roofdieren aantrekken.
In veiligheid brengen: als een moederkat denkt dat haar jongen in gevaar zijn, verplaatst zij ze naar een nieuwe, veilige plek. Ze draagt de jongen een voor een weg, voorzichtig met hun nekvel tussen haar tanden. 

15. opgroeien

Opgroeiende jongen moeten alles over het leven als volwassene leren zodat ze voor zichzelf kunnen zorgen wanneer ze hun moeder verlaten. Ze leert ze zo veel ze kan en de rest leren ze door te spelen. Hoe ze spelen hangt af van de soort, want alk type kat moet andere dingen leren. In vechtspelletjes duwen cheetahs elkaar omver met hun poten. Dit is een techniek die ze later voor de jacht nodig zullen hebben. jongen moeten afstanden leren schatten en leren bepalen wanneer ze toe moeten slaan om een prooi snel te doden zonder zelf gewond te raken of gedood te worden. Hun moeder laat hen met prooien kennismaken door een dier naar het hol te brengen om op te eten. Moeder en jongen communiceren met zeer hoge geluiden. Maar als ze gevaar ruikt, gromt ze om de jongen te vertellen dat ze zich moeten verbergen. Dus de eerste een of twee jaar zijn de jongen afhankelijk van hun moeder. Ze geeft ze niet alleen te eten, maar leert ze ook hoe ze moeten jagen en overleven.
Hulpeloze baby’s: welpen zijn vlak na de geboorte blind en nog volkomen hulpeloos. De eerste maanden leven ze voornamelijk van moedermelk. Ze zuigen de melk op uit de kleine tepels op de buik van hun moeder.
Nieuwe schuilplaats: als een moeder bang is voor roofdieren, brengt ze haar jongen naar een nieuwe plek.dit doet ze door ze een voor een tussen haar tanden te pakken en weg te brengen. Dit doet geen pijn voor de jongen, omdat ze hen bij de losse huid in hun nek pakt. Jachtluipaarden verplaatsen hun leger voor de veiligheid om de paar dagen.
Vechten en leren: jongen brengen veel tijd door met stoeien. Zo ontwikkelen ze hun kracht en techniek. Die hebben ze nodig als ze ouder zijn en zich tegen andere katten moeten verdedigen, maar ook om een prooi te vangen en te doden. Als een jong geen broertje of zusje heeft om mee te spelen, dan zal de moeder soms met hem spelen.
De eerste prooi: jongen weten instinctief hoe ze moeten doden, maar ze moeten wel oefenen leren hun prooi te herkennen. Eerst brengt de moeder dode dieren om te eten. Als de jongen ouder zijn, gaan ze mee op jacht om te leren. De moeder vangt en verwondt soms een prooi en laat de jongen die dan doden.

16. gewoonten van katten

Katten hebben veel gewoonten gemeen. Zo houden ze er allemaal van om hun klauwen te scherpen voor de jacht en om hun lichaam schoon te houden. Ook verdedigen ze allemaal hun territorium.
Dagdromers: de meeste katten slapen of rusten overdag en worden actief als de zon ondergaat. Dan benutten ze hun uitstekende nachtogen om dieren aan te vallen die niet zo goed in het donker kunnen zien. Ze kunnen ook dieren verrassen die liggen te slapen.

Klaar om te krabben: om zijn nagels schoon en scherp te houden voor de jacht scherpt een grote kat ze geregeld aan bomen. Hierbij blijft ook een geur op de boom achter die andere katten duidelijk maakt dat ze op zijn territorium zijn. Huiskatten scherpen vaak hun nagels door aan de meubels te krabben. 

Scherpe tongen: katten likken hun vacht vaak schoon. Hun tongen zijn bedekt met kleine haakjes. Als een kat zich likt, werken de haakjes als een kam, waarmee hij losse haren kan verwijderen. De tong van grote katten is zo ruw dat ze hiermee het vlees van botten van hun prooi kunnen likken. 

Kattengevechten: het territorium van een grote kat kan zo groot zijn dat hij drie weken nodig heeft om het te belopen. Grote katten willen liever geen andere katten in hun gebied en benaderen indringers vaak agressief. De felle gevechten kunnen leiden tot verwondingen of zelfs de dood.

17. vijanden

Grote katten zijn perfecte doders die door al hun prooien worden gevreesd. Maar ze hebben ook vijanden. Andere carnivoren willen hun voedsel stelen of hun jongen aanvallen. Wolven vormen een probleem voor poema’s, wilde honden zijn een bedreiging voor tijgers, en hyena’s en jakhalzen jagen op de jongen van Afrikaanse grote katten. Zelfs prooidieren kunnen een gevaar vormen. Buffels zijn erg agressief en kunnen een jonge leeuw doden. Maar mensen vormen de grootste vijand van de wilde katten. Ze vernietigen hun leefgebied door steeds dieper in de wildernis huizen en boerderijen te bouwen. Ze doden ook hun prooien zodat ze minder te eten hebben. Ook jaagt de mens op grote katten vanwege hun mooie en waardevolle vacht.

18. tijgers

Tijgers zijn enorme, sterke dieren die alleen in Azië voorkomen. Door jacht en vernietiging van hun leefgebied is het aantal wilde tijgers aanzienlijk afgenomen en zijn ze tegenwoordig erg zeldzaam.
Koning van de tijgers: de Siberische tijger is een van de grootste katten. De mannetjes kunnen 3 m lang worden en wegen drie keer zoveel als een mens. Siberische tijgers leven in verre, koude gebieden in Rusland en Noord - China. Vanwege de felle kou hebben ze een langere vacht dan andere tijgers. Ze hebben ook een speciale vetlaag onder hun huid die voor extra isolatie zorgt. 
Grote eters: tijgers kunnen enorm veel eten. Ze kunnen in een grote maaltijd wel 40 kilo vlees eten (zoveel weegt een volwassen hert). Bij het zoeken naar voedsel lopen tijgers regelmatig wel 25 km per dag.
Koele katten: de meeste tijgers leven in warme streken, hoewel ze niet erg van te warm weer houden. In tegenstelling tot andere katten houden ze van water. In India, waar de zomers zeer heet zijn, zwemmen Bengaalse tijgers vaak in rivieren om af te koelen. Tijgers zijn goede zwemmers: ze steken rivieren over van 29 km breed.
Menseneters: tijgers eten soms mensen. In de Sunderbans in Bangladesh en India doden ze wel honderd mensen per jaar. Om aanvallen te voorkomen dragen de mensen in het bos maskers achter op hun hoofd. Tijgers vallen meestal van achteren aan. Als ze een gezicht zien, vallen ze minder gauw aan, omdat de prooi hen aan lijkt te kijken.
Witte tijger: een uiterst zeldzame tijger is de witte tijger van Centraal India. Deze tijger is in feite een Bengaalse tijger, maar in plaats van een roodachtig -bruine vacht met donkere strepen is hij bijna helemaal gebroken wit. Sinds 1951 is er geen witte tijger meer in het wild gezien, maar hij leeft nog in dierentuinen. 

19. leeuwen

Leeuwen behoren tot de indrukwekkendste dieren van Afrika. Ze leven samen in groepen en hebben niets te vrezen van andere dieren. Een mannelijke leeuw met goudkleurige manen om zijn kop ziet er imposant uit. 
Een troep leeuwen: de meeste grote katten leven alleen, maar leeuwen leven meestal in groepen, of troepen. Ze jagen vaak gezamenlijk, zodat elk dier regelmatig te eten krijgt. Grote troepen kunnen wel dertig dieren tellen. Troepen zijn het grootst in een gebied waar voldoende voedsel is. in gebieden met minder prooidieren tellen de troepen soms maar twee of drie dieren. 
Bezige vrouwtjes: leeuwinnen jagen het meest voor de troep, maar mannetjes mogen altijd het eerst eten. De vrouwtjes eten pas als de mannetjes klaar zijn en de welpen eten het laatst. Als er weinig eten is, sterven de welpen soms van de honger.
Aantrekkelijke manen: als een mannetjes vijf jaar oud is, zijn de manen volgroeid. Met zijn imposante manen kan hij de aandacht trekken van vrouwtjes. Ook ziet de leeuw er groter en sterker uit en is zijn nek afgeschermd bij het vechten. Als de leeuw ouder wordt, worden zijn manen donkerder.
Aziatische leeuwen: niet alle leeuwen leven in Afrika. Tot 2000 jaar geleden kwamen leeuwen ook in Europa voor, maar deze leeuwen, de Aziatische leeuwen, leven nu alleen nog in het Gir - bos in West- India. In het wild komen er nog slechts 300 voor. 

20. panters 

Panters zijn nog niet half zo groot als tijgers, maar ze zijn erg sterk en ze kunnen allerlei dieren doden. Ze zijn goede klimmers en dankzij hun vlekken zijn ze moeilijk te zien als in een boom rusten. 
Gemakkelijke eters: panters leven in grote delen van Afrika en ook in Zuid- Azië. Geen enkele andere grote kat leeft verspreid over zo’n groot gebied. Een van de redenen dat panters op zo veel plekken kunnen overleven is hun gevarieerde dieet. Deze katten eten bijna alles, van antilopen en zebra’s tot insecten en stekelvarkens. 
Stadsbezoekers: panters zijn van nature schuwe dieren, maar in delen van Afrika zijn ze heel driest geworden en soms jagen ze zelfs in de buurt van plaatsen waar mensen leven. Langs de rand van de grote stad Nairobi in Kenia jagen ze soms vlak bij de huizen, en soms vangen ze zelfs honden als prooi. 
Eten in een boom: nadat een panter een prooi heeft gedood, benut hij vaak zijn kracht en klimvermogen om het dier in een boom te slepen. Daarna kan hij het dier op zijn gemak opeten. Zo trekt hij minder de aandacht van andere dieren die interesse voor zijn prooi kunnen hebben. als hij niet alle in een keer opeet, komt hij later terug voor de rest. 

Zeldzame panter: in het wild zijn er nog maar zo’n vijftig Amoerpanters, of Koreaanse panters. Ze leven in de bossen langs de grens tussen Rusland en China. Hun leefgebied wordt vernietigd door bosbranden en landbouw., zodat de panters minder beschutting vinden. Hun voedsel wordt schaars, omdat andere dieren het ook moeilijk hebben. 

21. Aziatisch panter

Hoewel ze allebei panter worden genoemd, zijn sneeuwpanters en nevelpanters niet nauw met elkaar verwant. Ze leven beide in Azië, maar in verschillende gebieden. Sneeuwpanters leven in berggebieden en nevelpanters zijn vooral in bossen te vinden. 
Bergjagers: de vacht van sneeuwpanters is donker zilver met zwarte vlekken. Zo zijn ze moeilijk te zien tussen de rotsen en de sneeuw in hun leefgebied en zijn bij de jacht goed gecamoufleerd. Vaak bespringen ze hun prooi van boven. 

Warme en koude katten: ’s winters hebben sneeuwpanters te maken met heel koud weer, maar in de zomer is het juist erg heet. In de winter krijgen ze een lange vacht om hen tegen de kou te beschermen, in de zomer rusten ze vaak in de schaduw. 
Paren in de winter: sneeuwpanters paren in de winter, zodat hun jongen worden geboren in het voorjaar. In die tijd van het jaar is er voldoende voedsel en kunnen de jongen goed groeien, omdat het weer niet zo extreem is. zo krijgen ze een betere kans hun eerste winter te overleven. 
Nevelpanter: nevelpanters leven in de bossen van Zuidoost- Azië. Ze zijn niet erg groot, maar ze hebben extreem lange hoektanden – niet veel kleiner dan die van een leeuw. Nevelpanters zijn goede klimmers en jagen op apen en vogels in de bomen. Op de grond doden ze ook grotere dieren, zoals herten en wilde varkens.

22. jachtluipaarden

Jachtluipaarden, of cheetahs, leven in open grasland in grote delen van Afrika en een deel van Azië. Ze zijn niet zo sterk als panters of leeuwen, die in de zelfde gebieden leven, en ze kunnen moeilijk met hen om voedsel te concurreren. 
Geen echte grote kat: jachtluipaarden worden vaak als grote katten gezien, maar sommige experts denken dat ze niet bij deze groep horen, omdat hun lijf sterk verschilt van dat van andere grote katten. Een ander verschil is dat ze niet brullen, maar alleen hoge piepgeluiden maken.
Snel maar zwak: hoewel jachtluipaarden heel snel zijn, kunnen ze hoge snelheid maar zo’n 300 m volhouden. Tegen de tijd dat ze hun prooi hebben gevangen, zijn ze vaak uitgeput. Daardoor kunnen leeuwen, panters, hyena’s en zelfs gieren hun maaltijd vaak gemakkelijk afpakken.
Op de uitkijk: anders dan veel katten jagen jachtluipaarden overdag. Zo blijven ze uit de buurt van leeuwen en panters die vooral ’s avonds en ’s nachts jagen. Tijdens de jacht probeert een jachtluipaard een hoger gelegen plek te vinden., zodat hij een goed zicht over het open grasland heeft.
Jongen in gevaar: jongen van jachtluipaarden moeten vechten om te overleven. De meeste sterven al binnen drie maanden. Ze worden gegrepen door roofdieren of ze verhongeren. Jachtluipaarden moeten elke dag een prooi doden om hun jongen te voeden, maar jagen is moeilijk en er is niet altijd genoeg voedsel. 
Trek in gazellen: gazellen zijn de meest algemene prooidieren voor jachtluipaarden. Ze zijn kleiner dan de jachtluipaarden en kunnen gemakkelijk worden overmeesterd. Maar gazellen zijn snelle renners en als ze een jachtluipaard zien, kunnen ze soms toch nog ontsnappen. Jachtluipaarden jagen vaak op de jongste of oudste gazellen die niet zo snel rennen.

23. Amerikaanse grote katten

Enkele zeer bekende katten leven in Afrika en Azië, maar ook in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika komen allerlei wilde katten voor, waaronder jaguars en poema’s.
Jaguars: jaguars zijn de op twee na grootste katten. Ze leven in Midden-Amerika, vooral in tropische regenwouden nooit ver van rivieren en meren. Net als panters hebben ze een gevlekte vacht, maar ze hebben kortere poten, een grotere kop en een gedrongener lichaam. 
Liefhebbers van water: jaguars jagen op de grond, in bomen en zelfs in water. Het zijn goede zwemmers en in rivieren vallen ze vaak schildpadden, alligators en slangen aan. Jaguars vangen ook vis, maar dit kunnen ze alleen vanaf de oever.

Aangepaste katten: poema’s, die soms ook wel bergleeuwen worden genoemd, komen voor in heel Amerika, van Canada in het noorden tot Argentinië in het zuiden. Poema’s komen voor in veel verschillende leefgebieden, zoals bergen, graslanden, regenwouden en moerassen. 
Grote kleine katten: poema’s worden meestal niet ingedeeld bij de grote katten, maar ze zijn vaak groter dan panters en kunnen meer dan 2 m lang zijn. Ze kunnen gemakkelijk een groter dier doden, zoals wilde herten of paarden. 
Grote springers: poema’s zijn zeer atletisch en hebben sterke achterpoten. Bij het jagen kunnen ze even ver springen als de lengte van een bus en ze kunnen van de grond zo’n 5 m omhoog springen naar een boomtak of een rotsrichel.

24. kleine wilde katten

Over de hele wereld komen allerlei soorten kleine wilde katten voor, en van sommige heb je misschien nooit eerder gehoord. Dankzij hun geringe grootte zijn ze vaak soepel en snel. 
Springende servals: servals leven in Afrika. Ze hebben een goed hoorvermogen en horen kleine dieren die in het gras ritselen. Op hun gehoor5 kunnen ze precies bepalen waar een dier is, waarna ze er bovenop springen. Servals kunnen hoog in de lucht springen, zodat ze ook laagvliegende vogels kunnen vangen.

Lynxen: lynxen leven in Noord-Amerika, Azië en in delen van Europa. Ze hebben een korte staart, opvallende pluimen aan de uiteinde van hun oren en een lange vacht rond hun gezicht. Ze hebben een uitzonderlijk goed reukvermogen – ze ruiken hun prooi op 300 m afstand. 
Atletische margays: margays leven in de regenwouden van Midden- en Zuid-Amerika. Ze zijn zeer atletisch en kunnen uitstekend klimmen. Met hun scherpe klauwen houden ze zich stevig aan de takken vast en door hun soepele enkelgewrichten klimmen ze bijna even goed als apen. Ze rennen met hun kop omlaag van boomstammen en rennen zelfs onderste boven langs takken. 

25. feiten

- Katten stammen af van kleine vleesetende zoogdieren die miaciden heetten. Zij leefden ongeveer 60 miljoen jaar geleden, in de tijd dat de dinosauriërs uitstierven. 
- De nagels van katten zijn gemaakt van keratine, dezelfde stof als die van je vingernagels.
- Jachtluipaarden hebben extra wijde neusgaten. Hierdoor kunnen ze gemakkelijker ademhalen, zodat ze sneller kunnen rennen en ook sneller kunnen afkoelen. 
- Leeuwen stelen vaak prooien van andere katten. Ze wachten tot het prooidier is gevangen en gedood en pakken het dan af.
- Tijgers hebben de langste hoektanden van alle grote katten. Het zichtbare gedeelte kan meer dan 5 cm lang zijn.
- De brul van mannelijk leeuw is tot op bijna 8 km afstand te horen.
- Leeuwen kunnen wel honderd keer per dag paren.
- Als moederkatten hun jongen naar een nieuwe plek hebben gebracht, gaan ze soms nog een keer bij de oude plek kijken of er jong is achtergebleven.
- Sinds 1900 zijn de Kaspische tijger, de Balinese tijger en de Javaanse tijger allemaal uitgestorven.
- In een periode van negen maanden in 1898 aten twee leeuwen meer dan honderd arbeiders die een nieuwe spoorbrug bouwden in Tsavo, in Kenia.
- Panters kunnen met hun tanden jonge giraffen van wel 90 kilo in een boom slepen.
- In de zestiende eeuw temde de Indiaanse keizer Akbar jachtluipaarden en gebruikte hij die om tijdens de jacht gazellen te vangen.
- Jaguars zijn de enige grote katten die regelmatig een prooi doden door de schedel stuk te bijten.
- De roeskat uit Sri Lanka en India is de kleinste kat ter wereld. Hij is maar half zo groot als een huiskat.
- Wetenschappers denken dat er niet meer dan 30 Chinese tijgers in het wild leven.
- In het oude Egypte werden katten zozeer gerespecteerd dat het verboden was een kat te doden. Iemand kon hiervoor de doodstraf krijgen.